bespreking ‘beyond here lies nothin” in Ambrozijn, nr 2, 2019/2020

augustus 29, 2019

Herman Rohaert – Proeve in vol-ledig-heid

 

De inhoud van Rohaerts Beyond here lies nothin’… (Uitgeverij P, 2019) valt, te zien aan de inhoudstafel achterin, als een stevige diptiek op te vatten. Een ‘Envoi’ gaat vooraf aan ‘Gebed in niets’, het eerste luik van 14 gedichten. Het scharnier dat de grote panelen dient te verbinden heet ‘The end’ en bevat twee gedichten. Het tweede grote deel van 21 gedichten heeft oren naar ‘Amore’ en wordt gevolgd door een ‘Finale’, goed voor twee gedichten. Zo te zien een hechte, bijna perfect symmetrische structuur.

 

Moeten we de titel van de bundel als een beginselverklaring beschouwen? De linkerflap steekt een tandje bij waar hij het heeft over “een diep weten dat ons allen treft: het besef dat wij leegte zijn. Niets. Onuitstaanbaar uitgestrekt.” Het spreekt voor zichzelf dat vanuit dergelijk axioma de elementen stilte en leegte vaak in deze bundel zullen terugkeren. Niets is hier iets dat met veel woorden wordt beleden. Ik val voor Maan, die ik hieronder voluit laat schijnen.

 

Lichtende schijf, bleek gepokt, de

sterren jennen je met schitter, met

uit en aan, roerloos zet je hen te

schaam.

 

Witte klaproos tegen zwarte nacht,

membraan van licht, hoor ze knetteren,

knisperen, verjagen willen ze je, ver

naar de melkweg, af van rand.

 

Maar onbewogen blijf je slinken, wassen,

opkomen in avondgloed, ondergaan in

ochtendlicht, blond bad van wit,

van mat.

 

Het is er allemaal of bijna allemaal, want voor de synesthesie (wit geluid, dove smaak) moeten we wachten tot het volgende gedicht en flink verderop kwam ik ook inversie tegen (“er is wat jij wil, kan geven / prijs”). Je kunt iets te kijk zetten, maar de dichter maakt daar met één pennentrek ‘te schaam’ van (in het mooie Mag ik ligt 14 pagina’s verder een opengeslagen schrift met onbeschreven bladzijden (schilderij van F. Pompe) ‘te geef’). Drie metaforen, ‘lichtende schijf’, ‘witte klaproos’ en ‘blond bad van wit, van mat’, omschrijven het hemellichaam. De Nederlandse Bibliotheekdienst (NBD) merkte die markante vergelijkingskunst ook op en boekstaafde naar aanleiding van Rohaerts, ook door ons besproken debuut Som: “Verreweg de meeste beeldspraak is mooi en steunt op ware trouvailles.” Het rijm in de eerste strofe staat niet los van een overloop en laat ik u zelf zoeken. Stapelingen van werkwoorden geven hun charme prijs wanneer je dit gedicht inwendig of hardop leest om het ritme te beproeven. Tegenstellingen, minder of meer duidelijk, vertellen iets over de ware aard der dingen: bleek-schitter, uit en aan, wit-zwart, slinken-wassen, opkomen-ondergaan, avond-ochtend. Een tegenstelling die in de buurt komt van het oxymoron (een samengaan van tegenstellingen), zit ook verborgen in de ‘witte klaproos’, want de papaver of de ‘poppy’, bekend van de Vlaamse velden, beschouwen we toch meestal als rood.

Je kunt je de vraag stellen waarover dit gedicht gaat, beter gesteld: schuilt er iets meer achter het spel van maneschijn en de blijkbaar concurrerende sterretjes: yin (het passieve, statige, rustige, vrouwelijke, cyclische) versus yang (het vurige, pinkelende)? In welke mate wordt hier iets bekend over “[h]oe de dingen zijn en niet zijn”?  Ik laat het antwoord in het midden.

De verzorgd weergegeven foto’s die ‘stof’ leverden voor twee gedichten passen uitstekend in het thema. In Duinkerke, bij een foto (Ruben Van Eeckhout) van een verlaten strandpartij met dreigende zwarte wolken in de lucht, is sprake van “een scheve paal zonder bord, welkom / in nergens” en in Kosovo (een eenzaam sneeuwlandschap van dezelfde fotograaf) beschrijft de eerste strofe een “[b]lank, leeg bord / wit gat in dicht- /gesneeuwd landschap.” De “door- / hangende hoogspannings- / kabels” associeert de dichter met een “bevroren harp voor nooit aflatende wind” De regelval met zijn bewust gesplitste woorden maakt hier daarenboven die tussen palen hangende kabels zichtbaar.

Met het hoe dan ook aangrijpende, drie meter hoge schilderij The Angel (2013) van grootheid Michaël Borremans kun je eigenlijk alle kanten op. Deze ons passief voorkomende, bepaald niet vrolijke engel zonder vleugels is als een hermafrodiet wezen afgebeeld. Herman Rohaert wil haar/hem met Somnambule uit de slaap wekken. Door de afwezigheid, de bewuste weglating van her en der een werkwoord of een extra bepaling (stijlfiguur van de aposiopese of reticentie) betrekt de auteur de lezer bij zijn duiding. Mensen, wat valt er nog meer te zeggen, te bedenken? De twee strofen staan in een zeker contrast met elkaar. In de slotregels neemt de dichter afstand van zijn duiding van het beeld en oppert een (on)mogelijkheid, door de engel tot leven te wekken en dit wezen bloeddoorstroomd op ons leven (buiten de schilderij) te leggen. Ook dit relatief korte gedicht geef ik voluit weer.

 

Wie ontwaakt haar uit deze slaapbel, wie staakt

deze wandeling tussen droom en daad nu haar

gezicht zich naar binnen met de zuigkracht van

het grote eb, de duizel van omgekeerde vloed,

nu haar oog zich sluit, ze zonder einde

dwaalt in afwezigheid, nu …?

Tenzij die ene hand om in te knijpen, hand

die langs een hals strijkt, de warmte van een

voorhoofd peilt.

 

Het scharnierpaneel bevat twee in-memoriamgedichten voor respectievelijk de beproefde Nederlandse auteurs Rogi Wieg (1962-2015) en Joost Zwagerman (1963-2015). “Misschien kan iemand op stil worden gezet” heet het, denkend aan laatstgenoemde die een eind aan zijn leven maakte.

Deze bundel is goed gevuld, ook al voert de leegte thematisch de boventoon. Via de slotstrofe van Mag ik krijgen Rohaert en Elke De Smedt (blijkbaar werd dit gedicht in samenspraak geconcipieerd – een vrij uniek gebeuren!) het laatste woord: “bedenk voordat je me weer dichtplooit / dat alleen de leegte alles omvat als een / laatste ademtocht aan het leven ontsnapt.”

Traagheid en een vorm van resignatie (het afzien-van) zijn in de eerste twee gedichten van de cyclus ‘Amore’ gethematiseerd. Traag valt als een tangconstructie te beschouwen. Drie duidelijke, door ‘zoals’ ingeleide vergelijkingen monden, samen met drie vaststellingen, uit in  twee lapidaire regels: “Zo laat jij mij toe tot jou. // Zo.” Ook Niet hoeven, straks voert na twee strofen over alles wat niet langer samenkomende geliefden nalaten naar een conclusie: “Opdat er een straks, waar we niet meer afscheid hoeven / en uit elkaar.” Ook de al aangehaalde techniek van de afbreking (“je ondergoed / die ik niet …”) werkt hier heel functioneel. Het is alsof het gedicht door die soms wat vreemd aandoende hobbels snikt.

In de liefdesgedichten en regels opgehangen aan steden (Amsterdam, Rome) is het idee van de leegte niet langer aanwezig. In de ‘Finale’ ten slotte is het imperatief aandoende ‘zo’ uitgeduid tot “zo wij”. Zo is het goed!

 

Eindigen wil ik met een commentaar van Jan Geerts dat ik graag beaam. In een schrijven aan Herman Rohaert stelde hij: “U stelt het kijken op scherp en toont op voortreffelijke manier hoe je ook met taal kan kijken. Want uw taal is, zoals het kijken, voortdurend in beweging. Uw woorden smeken, verklaren, registreren en vechten met afwezigheid. Uw woorden tonen de mens in zijn naaktheid en spreken het verlangen uit naar transparantie, het verlangen om bekeken en gezien te worden.

U weet even goed als ik dat onze taal uiteindelijk eindigt in het laatste punt, ‘de leegte [die] alles omvat als een / laatste ademtocht’. Maar voor het zover is, is er uw poëzie die ons even redt.”

Omdat we allen soms bijziend in het leven staan, is deze bundel, veel meer dan een bril, van betekenis!

 

Jacob Baert, alias Dirk Blockeel, Ambrozijn, nummer 2, jaargang 2019:20

 

 

 

 

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: