3 maal ‘ONTMOETING’ IN PROZA

I MELANCHOLE KNUTS (Herman Rohaert): het origineel!

II Wiëmoedige Knuts: een vertaling naar het Bjèvels dialect van  (Robert Leyssens)

III Knuts in het Peerder: een vertaling door KAMIEL NYSSEN

I MELANCHOLE KNUTS (Herman Rohaert)

Melancholie lonkt achter elke Parijse straathoek: de brede 19de eeuwse boulevards, de burgerlijke, zandstenen gevels, de zinken daken, dagen die korten.

Het regent, de kalende platanen schudden als natte honden droppen van hun glimmend zwarte takken.

Niets beter dan nu, bij eerste schemering, vanachter een dure en bittere ‘petit café’, vanop een overdekt terras, het verkeer, de oplichtende remlichten, de haastig huiswaartskerende passanten te bekijken, weg te dromen bij al die niet geleefde levens.

Tot zij verschijnt, haar vastberaden, wat  te grote stappen, haar hoge laarzen en hoekige bewegingen, als ze dichterbij komt die blik, die slome, lome blik. Haar licht geloken ogen stralen arrogantie uit, zelfbewustzijn of ook eenzaamheid, onzekerheid.  Een blik als in trance, licht beneveld, de oogopslag ook van een overglamoureuze junk.

Ze is blond, asblond, haar huid ijs en sneeuw.

Het regent nog steeds, ze haast zich over het brede trottoir,  spiegel  van uitdovend novemberlicht.  Onbewust  is ze zich van de haar achtervolgende blikken, de honger en het onvervulde verlangen dat ze meezuigt in haar zog. Als ze verdwijnt, opgeslokt wordt in menigte en duisternis, kan de winter echt beginnen.

Ik betaal, zet mijn kraag omhoog en geef ook mij over aan stad en regen.

© HERMAN ROHAERT

Wiëmoedige Knuts.(Robert Leyssens)

Achter elke Parèèse stroathok loert er wel wa wiëmoed, die aaw briêe wandelwege, die honderjoarige burgerlèkke zandstiëne hözgevels, die zinke doake en de doage die hèt beginnen af te kötte.

’t Regent en de koalende platoane schudde, lek nen natten hond  zenne pels, hun blinkende zwette takke.

Wa kunder anners doen as mee zoë weer en mee de vallende doenkerte, dan op ’n euverdekt terras  te gön zitte, mee ne straffe, diere kaffi -zoë klèè zjatteke- en nö de hoastig passeerende  minse te loere, d!ottoos mee hun roei stoplichte in’t verkiër en weg te druujeme euver leves, die noewet geleefd zen.

Tot…zè binnekomt mee kordoate, wa te groëte schreeje, hur hoëg botte en hokkige gank en as ze körterbèj koemt, dieje blik, dieje lèzige loëme blik. Hur half geslote oëge stroale e bitske hoëgmoed öt,  fierhèt, mer ooch onzekerhèt en iënzoamhèt. Hurre blik onèèndig, e bitske beneveld, den oëgopslag van  iemand die te veul pulle hit geslikt.

Z’ is blond, kooreblond, heur bloët vel sniëf en èès.

’t regent nog altèèd, ze spoeit hur eige vuts euver de briejen  trottoir, ze voelt de oëge ni die plekken op huure rug, den ongestilden hoenger, dië ze meezögt in hur spoor.

As ze verdwèènt, opgesloekt  dur ’t doenker en ’t volk, kan de winter echt aonvange.

Ich betaol men zjat, zet menne kol ommoëg en en geef mich euver oan ’n nat Parèès.

Robert Leyssens

KNUTS in het PEERDER (Kamiel Nyssen)

Weemoedig loert achter iedere streuthok: die brèèje  19de  ieuwse vesten, de sjieke , schoen gèvels, de zinken daken, de daag die korter wèèren.

Het regent dat het klettert, de biem die hun blaar aan het verliezen zijn schudden  als nate   biem hun drèp van hun  blinkende zwarte tèk.

Niks bèter dan nouw, bij de ierste schèmer, vanachter  ’n diere en flaaan ‘klène  sjat koffie, op een overdekt terras, het verkier, de hel stoplichten, de heustig  hauswaartskierende voorbijgangers te bekieken, weg te driemen bij al die nie gelèèfde lévens.

Tot ze opeens daor is, heur  vaste beraaien , wat te groete step, heur hoeg  botten en haterige bewegingen, as ze korterbij komt dieje blik, die slome, lome blik. Heur lichtjes geopende ogen oug stralen arrogantie out,  mer ook wat zelfbewustzijn of ook wat ienzaamheid, en onzèkerheid.  ’n Kiek als  in trance, lichtjes beneveld, de oogopslag as van een  hiel verliefd jongk !

Zèè is blond, heur haut ijs en sniew

’t Régent nog altijd, zè spooit zich over de breije stoet, spiegel van outgaand novemberlicht0 Onbewist is zeé van de heur achterkomende  blik, de honger en het lege verlangen dat ze meezougt in heur zoog! As zé weg is , opgenomen wèèrd in de menigte en de donkerte, kan de winter echt beginnen.

Ich betaal, zet mijne col omhoeg en gig ook mich euver aan de stad en de regen!

Vertaald naar het Peerder door Kamiel Nyssen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: